willy1.3.jpg

 

Wim

De eerste keer dat hij mij opviel was zeven jaar geleden. We hadden een bijeenkomst gepland voor de bewoners en hun familie vanwege de verbouwing van het Bartholomeus Gasthuis. De grootscheepse renovatie van het pand werd in fasen uitgevoerd. Zodoende konden bewoners gedurende de verbouwing in het gasthuis blijven wonen. Dit op voorwaarde dat ze wel bereid waren één of zelfs twee keer intern te verhuizen alvorens ze hun definitieve appartement konden betrekken.

De bijeenkomst was bedoeld om uit te leggen dat meerdere bewoners een flink aantal maanden een gerenoveerd twee-kamer-appartement moesten delen. Na de bijeenkomst werd de mogelijkheid geboden om de appartementen te bekijken. Ik liep van appartement naar appartement om de vragen te beantwoorden die er leefden tot ik in één appartement staande werd gehouden door de heer V. Een vriendelijk ogende, enigszins gebogen man die mij wenkte en toen hij mijn volledige aandacht had vroeg: ‘kan ik hier ook ontvangen?’ Niet begrijpend keek ik hem aan en zei: ‘ja natuurlijk kunt u bezoek ontvangen’. ’Ik bedoel vrouwen-bezoek’, zei V. De zorgmanager die ons gesprek opving greep in en zei: ‘ja hoor meneer V., wij zorgen dat u privacy houdt en dit mogelijk blijft’. Mijn onbegrip deed mijn wangen kleuren.

Een paar maanden later waren we een bewoonster van een serviceappartement kwijt. ’s Morgens om vier uur werd ik gebeld dat ze vermist was. Een ellenlange dag van zoeken, politiebezoeken en wachten brak aan. Helaas bracht het einde van de dag geen goed bericht. Nadat we alle details van haar overlijden hadden geregeld zei de zorgmanager ‘ik denk dat we nog één ding moeten doen en dat is langs meneer V., want hij was meer dan goed met haar bevriend’. We vonden hem ineengedoken op zijn stoel, luisterend naar muziek van Bach die uit zijn geavanceerde muziekinstallatie klonk. Toen wij plaats hadden genomen in zijn gezellig ingerichte appartement begon hij te vertellen over de overleden bewoonster. Aan mijn stoel gekluisterd luisterde ik naar zijn verhaal, zijn liefde voor haar en zijn onvermogen haar in dit levende leven te houden. Ik ontmoette een man die werkelijk kon liefhebben.

Toen er een stilte viel zei de zorgmanager ‘zullen we nog even samen naar muziek luisteren?’ Meneer V. stond op en met trillende hand bediende hij zijn afstandsbediening. Nadat we een periode de muziek hadden ondergaan keken de zorgmanager en ik elkaar aan, stonden op en sloten zwijgend de deur achter de opnieuw in elkaar gedoken man in zijn stille appartement, eenzaam in zijn verdriet.

Weer enkele maanden later werd ik opnieuw vroeg uit mijn bed gebeld. Nu door de facilitair manager. ‘Meneer V. is zoek’, zei hij met zorgelijke stem. ‘Zijn bed is opgemaakt en niemand heeft hem meer gezien na de laatste ronde van de nachtdienst’. Angst omklemde mijn hart: ‘oh alsjeblieft, niet meneer V.’ Stoerder dan ik mij voelde, gaf ik door de telefoon de opdracht om van de zolder tot de kelders het pand te doorzoeken. Onderwijl kleedde ik me snel aan en was binnen twintig minuten op mijn werk. Meneer V. was nog steeds niet gevonden en de paniek sloeg toe.
Tot de huismeester mijn kantoor binnenstapte. Triomfantelijk hield hij een print in zijn  hand van een opname van de videocamera die op de hoofdingang gericht staat. Wat bleek: meneer V. liep om 06.05 uur met een vrouw aan de arm de hoofdingang van ons gasthuis uit. Na enig speurwerk werd de vrouw geïdentificeerd en nog even later hadden we haar aan de telefoon: ‘Jazeker, ik ben met de heer V. afgereisd naar Zandvoort. Hij wilde graag nog één keer in zijn leven met een vrouw een dagje naar het strand. Hij wilde er zijn als er nog niemand was. We hebben de vroege trein naar Zandvoort genomen’.
We waren flabbergasted, maar ook enorm opgelucht. Ik moest glimlachen om die oude man die het leven pakte zolang het er was.

Sinds die tijd stond meneer op mijn netvlies. Zijn bescheidenheid, zijn liefde voor de liefde en het leven was veel ruimer dan de plek die hij bezat in ons Gasthuis. Die plek vergrootte toen op een dag op zijn deur met krullende letters ‘Wim Vonk’ stond. Ineens had hij een naam. Niet zoals alle achternamen die op onze lijsten staan, maar een echte naam. Ik hoorde van Wim dat zijn schoonzoon zijn naam op de deur had geplakt. ‘Vindt u het goed?’, vroeg Wim. ‘Prachtig’, zei ik.

Iedere morgen liep ik op weg naar mijn kantoor langs zijn deur. Iedere morgen zag ik die krullende naam en iedere morgen klonk er muziek van Bach door zijn gesloten deur. Soms was die muziek zo mooi dat ik even stilstond. Een keer ging ik zelfs op een bankje in de gang bij zijn appartement zitten om te luisteren tot het nummer was afgelopen. Ik kende de muziek  die ik hoorde niet en heb het Wim niet gevraagd.

Een aantal maanden geleden was het leven voor Wim voltooid. Zijn familie vroeg mij of ik afscheid van hem wilde nemen. Dankbaar aanvaardde ik de uitnodiging. Ik ontmoette een broze Wim die nog altijd even dankbaar was voor alles wat hem in dit leven was toebedeeld.
Ik hield zijn hand vast en toen we afscheid namen en ik mijn gezicht dicht bij het zijne bracht, vroeg hij: ‘Denk je dat ze daar ook die muziek hebben?’ Ik moest slikken en zei: ‘Jazeker! Uw muziek stopt niet. Die gaat door tot in de hemel.’ Na enige stilte zei hij: ‘Hoe heet je ook al weer?’ ‘Willy’, zei ik. ‘Oh ja’ zei Wim. Na weer een aantal minuten stilte zei hij: ‘Ik hou van je’. En even later: ‘Beloof je me dat je later ook komt zodat we samen muziek kunnen luisteren?’ ’Oh ja, dat beloof ik’, zei ik met dikke stem.

NB: deze blog wordt met instemming van Wims familie geplaatst. Zij missen hem meer nog dan wij.