willy1.3.jpg

 

Naming and blaming in de verpleegzorg

Ik begon mijn carrière als operatieassistent. Ik was 17 jaar en koud van de HAVO. Iedere dag rende ik met spanning de trap van het ziekenhuis op om een nieuwe dag vol techniek en vakmanschap  te beleven. Voor mij was het ‘thuiskomen’. Stond de patiënt voorop? Ja, natuurlijk. Maar de patiënt sprak ik nooit, want ze waren onder narcose. Wat telde was mijn vak, het ‘nu’: de juiste instrumenten klaar hebben staan, begrijpen wat je aan moet geven als de chirurg zijn of haar hand uitsteekt.

Dat wij ‘vinkjes’ moesten zetten op alle mogelijke lijsten werd er met de paplepel ingegoten. Als een piloot die zijn vliegtuig bestuurt vinkten we de procedures af. Tijdens de operatie was het ‘check’, ‘check’ en ‘dubbelcheck’: de begintijd van de operatie, de naam van de ‘omloop’, het aantal naaldjes dat gebruikt werd, het aantal gazen, de soort gazen, de kaartjes van de gazen, de tijd van de geboorte van de baby – de mooiste momenten trouwens! -, rechter of linker arm, …

Op een dag werd er op de OK een mevrouw geopereerd die al twee jaar buikpijn had na een operatie die in ons ziekenhuis was uitgevoerd. Zij bleef klagen, zo vertelde de chirurg, ook nadat alle soorten onderzoek niets uitwezen. ‘We zullen wel niets vinden, maar dit is haar laatste strohalm’. Toen de buik werd opengemaakt keken we allemaal vol spanning toe. De chirurg plaatste de buikwandspreider. Nadat hij de darmen opzij had laten brengen, trok de chirurg met ongeloof een verkleefd, bruingeworden gaas uit de buik. Met röntgendraad en al! Elke foto in de afgelopen twee jaar had de draad, en dus het gaas, gemist. Vol bizar ongeloof werd de boosdoener op de instrumententafel gelegd. Zwijgend werd de buik gesloten. In misselijkmakende spanning werd vervolgens afgewacht wat op het oude operatieformulier stond: wie had de gazen niet goed geteld? Zoals iedereen, bad ik dat ik het niet zou zijn.

Vijfendertig jaar later werk ik als bestuurder in de ouderenzorg. Het is 5 juli 2016. Een dag die fijn begint. We zijn van plan het feest te vieren dat jaren keihard werken vrucht afwerpt: er is een paar maanden geleden een prachtige uitkomst van de landelijk verplichte klantenquête behaald. De cijfers op www.zorgkaartnederland.nl lopen op én we hebben zojuist de uitslag van de medewerkers-enquête op ons bureau liggen. Op alle bevraagde items scoren we (veel) hoger dan andere verpleegzorginstellingen. Alleen op werkdrukbeleving zitten we er 0,1 punt onder. Eén van onze managers bedenkt een verwenmoment voor het goede werk dat de afgelopen jaren is verricht. Als bedankje. Voor onze kanjers. We hebben het idee ‘dat we er zijn’. Dit niveau minimaal vasthouden! Dát is de uitdaging waar we voor staan. 

Nog geen uur later valt in mijn mailbox de brief van de Inspecteur voor de Volksgezondheid dat ook wij: ‘op de lijst staan van 150 zorginstellingen die onvoldoende in staat waren de zorg voor kwetsbare bewoners op een goed niveau te brengen. Bovendien waren deze 150 verpleegzorginstellingen ook niet in staat de zorg voortdurend verder te verbeteren’.
Als bevroren zit ik naar de tekst te staren. Dit kan niet waar zijn. Het omgekeerde bewijs ligt op mijn bureau! Heeft een eenmalig inspectiebezoek in de afgelopen zeven jaar, waar een zestal onvolkomenheden werden geconstateerd (die in no-time werden opgelost) zo’n gevolg? Wie maakt hier een fout?
De dag verloopt als een boze droom. Het meldpunt van de Inspectie geeft geen reactie. Op Twitter en Facebook verschijnen de eerste berichten. De discussie over vinkjes zetten barst in alle hevigheid los. De volgende morgen openen de kranten met hun mening over datgene waar ik mij nog geen mening over heb kunnen vormen. Het spoeddebat in de Tweede Kamer is zo pijnlijk dat ik wil stoppen met kijken, maar ik mag niet: volgens de woordvoerders ben ik verantwoordelijk. Ik zal ‘het proces’ uit moeten zitten.  

In het Gasthuis gaat ondertussen het gewone leven zijn gang. De zorgbemiddelaar legt geduldig uit aan de nieuwe bewoner en diens familie hoe de financiering van de zorg in elkaar steekt. Geen makkelijke taak in het woud van regels en tarieven.
In de keuken snijdt de kok de verse groenten voor het huysmenu van vanavond. In de huiskamer wordt gedanst op muziek uit de jaren ‘60. Een verpleegkundige dept het bezwete gezicht van een zieke.
Mevrouw B. vindt de groenten niet gaar genoeg en vult daarover een ‘praat-erover-kaartje’ in. Op hetzelfde moment vult meneer C. een ‘praat-erover-kaartje’ in dat de groenten te lang worden doorgekookt.
Meneer Z. gooit zijn gouden ring in de afvalbak. Hij zit niet lekker. Als de groepsbegeleider de ring niet op tijd vindt, zal hij de dag daarop worden meegenomen door de vuilnisophaaldienst.
De familie van mevrouw E. is boos dat haar kleren niet terugkomen van de wasserij. Zij weten nog niet dat mevrouw de kleren verdeelt over de kasten van de andere bewoners. Mevrouw houdt van opruimen. Was ze heel haar lange leven met een gezin van elf kinderen gewend. Mooie stapeltjes in de kasten van haar kinderen. Daar wordt ze gelukkig van.

Een zorgmedewerker zet een dag te laat alsnog een vinkje op een lijst. Ze had ’s nachts bedacht dat ze dat vergeten was. Kwam door de drukte. De huysdame checkt de temperatuur van de koelkast. In het zorgleefplan van meneer F. wordt een zorgdoel geformuleerd. De analyse ontbreekt, maar de logica is ondubbelzinnig en doeltreffend. De medicijnuitgifte wordt gedubbelcheckt.
Checken is niet meer dan normaal. Hoort bij het vak. Want ze zijn hier gaan werken om zieke mensen een zo goed mogelijk ‘laat leven’ te bezorgen. Dat is meer dan een huishouden draaiende houden. Dat is een vergaande belofte die is afgelegd toen het diploma in ontvangst werd genomen van het bewijs dat ze zich een prof in de zorg mogen noemen.

De publicatiestorm over ‘de lijst’ is gaan liggen. Op de markt wordt de vis ingepakt met de kranten die het pijnlijke nieuws brachten. Het kabinet is inmiddels met zomerreces. Een sector achterlatend die zich voortaan nog onveiliger voelt. Niet meer wetend uit welke hoek de ‘klappen’ komen. Actiz start een campagne #ikwaardeerje. FNV lanceert een meldpunt waarbij mensen worden opgeroepen te melden wat er in de zomer niet goed gaat in verpleeghuizen. Zo ook Omroep Max.

De emotie sijpelt door de vergiet. Wat overblijft is een illusie en een werkelijkheid. De illusie dat ik het leven in de hand heb. Dat ik controle zal krijgen over datgene waaraan ik leiding geef: ouderdom, ziekte, angsten, herinneringen, teloorgang. Controle op iedere handeling van iedere medewerker. Iedere dag, 24/7.
De werkelijkheid dat het mijn taak is binnen die illusie te doen wat in mijn vermogen ligt om verantwoorde, liefdevolle en veilige zorg te bieden. De bewoners te kennen. Hun noden en behoeften. Daarop zo goed mogelijk in te spelen. Verder te gaan dan de grenzen die we onszelf hebben opgelegd. De grenzen van ‘ingedekt’ zijn.
De puzzel waar ik aan sleutel sinds de dag van het gaasje.