willy1.3.jpg

 

Goede voornemens

Altijd als ik door het Bartholomeus Gasthuis loop kom ik haar tegen. Ze loopt achter een rollator. Gebogen. Haar hoofd schuin opgericht zodat haar niets ontgaat. De groeven in haar gezicht omlijsten schrandere ogen.

Ze maakt graag een opmerking, stelt een vraag, wil weten wat er aan de hand is. Haar stem is vol en zwaar in tegenstelling tot haar broze lichaam. Met een iets rollende ‘r’ en bedachte formulering lijkt ze ineens iets te groeien. Klank en toon stoppen mijn haastige gang. ‘En wie bent u ook al weer?’, vraagt zij mij. ‘Ik ben Willy van Egdom’, zeg ik en ga wat breder in haar gezichtsveld staan. ‘Willy  van Egdom’, herhaalt ze proevend mijn naam. ‘Moet ik u kennen?’. ‘Ja’ antwoord ik, ‘de directeur, weet u nog?’ Ze pakt mijn hand. ‘Och lieve hart, de directeur. Natuurlijk. Maar u bent er ook nooit, dus dan vergeet ik hoe u er uit ziet’.

Tijdens de tweemaandelijkse high-tea, die ik organiseer met de medewerkers, komt steevast de werkdruk aan bod. Zo ook de afgelopen keer. Eén van de verzorgenden vertelt in heldere bewoordingen dat zij uit idealisme op latere leeftijd de ouderenzorg is ingegaan. Helaas is zij inmiddels teleurgesteld. Ook al weet zij dat het Bartholomeus Gasthuis meer medewerkers inzet dan andere huizen, dan nog vindt zij het onvoldoende. ‘Weet je’, zegt ze tegen me, ‘je moet eens een dagje meelopen. Dan kun je met eigen ogen zien wat ik bedoel. Je hebt een veel te romantisch beeld van de ouderenzorg’.

Mijn 13 jarige Sint dichtte vorige maand; ‘…Iets rustiger soms. Is misschien niet iets doms. Niet aan ’t front. Zodat we je zien al voor de morgenstond. Maak wat minder overuren. Dan krijg je minder te verduren. Ben je vaker thuis. Samen met de fam voor de buis. Zoals gezegd; wees iets minder vaak in Utrecht’.

Toen ik 4 januari 2016, na een aantal vrije dagen, weer aan het werk ging had ik goede voornemens. U raadt ze al! Nog geen week later weet ik dat het niets gaat worden. Net als verleden jaar en het jaar daarvoor. Opnieuw wil ik van alles en meer dan dat, maar schiet ik op meerdere fronten zwaar te kort.

Als ik met een vriend praat over mijn mislukte goede voornemens moet hij glimlachen en vertelt mij een ‘Joodse wijsheid’: een Joodse handwerksman worstelt met de vraag: 'moet ik me nu toeleggen op mijn leven in deze wereld - ik heb tenslotte de zorg voor mijn vrouw en kinderen - of moet ik me toeleggen op een geestelijk leven en op de studie van de Torah?' Hij komt er niet uit. Ten einde raad vraagt hij de rabbi of die zijn vraag wil voorleggen aan God. 'Dat is goed' zegt de Rabbi, 'kom overmorgen maar terug'. Als de man twee dagen later bij de rabbi komt en vraagt of hij God nog gesproken heeft antwoordt deze, 'jazeker'. 'En?', vraagt de man. De rabbi zegt, 'God vertelde me dat hij je worsteling lief heeft.' 

Gisteren liep ze er weer. Achter haar rollator. Ik raakte met haar aan de praat en vroeg haar of ze nog een goed voornemen had voor het nieuwe jaar. Ze keek mij vrolijk aan en zei ‘och lieve hart, goede voornemens? Die heb ik al heel lang niet meer. Kan ik mezelf ook niet tegenvallen. Nee, ik doe blijkbaar ’t ene wel en het andere niet. Alsof ik er zelf geen invloed op uitoefen. Maar inmiddels heb ik er op leren vertrouwen dat dat goed is. Het beste wat ik kan doen’.